Episode 29 | Een kind, zoals elk ander kind | In Stilte Gesproken

Hallo, jij daar!

Luister je mee, naar een verhaal over twee kindjes in Afrika.

Luister maar goed, dan kun de antwoorden vinden van een paar vragen.

Waar wonen deze kinderen?

Wat hebben ze s avonds gegeten?

Wat denk je als je aan deze kinderen denkt?

Het is warm, benauwd voelt de lucht. De zon schijnt fel.

Het is einde van de middag.

In de verte klinkt het geluid van een vrachtauto, een vogel tsjilpt. Hé, zie je dat in de straat? Wie lopen daar? Het zijn twee kinderen. Kijk eens goed, ze lopen op blote voeten door de straat. De straat heeft geen stenen of asfalt, maar rood / bruin zand.

Het is ver van Nederland vandaan. Met het vliegtuig moet je wel 11u vliegen.

Wat doen de kinderen daar?

Ze kloppen aan bij een hek van een huis. De hond blaft, de kinderen schrikken van het geblaf en stappen een paar stappen achteruit.

Er komt een vriendelijke man naar buiten. Hij vraagt; ‘hebben jullie al gegeten vandaag?’ De kinderen schudden hun hoofd.

De vriendelijke man loopt naar binnen en komt terug met een zakje in zijn hand. Een zakje met maispap.

De vriendelijke meneer vraagt of ze naar huis, bij hun papa en mama kunnen. De jongen schudt zijn hoofd. Onze papa woont niet meer bij ons en onze mama is op een boerderij en komt pas terug over vier weken.

De meneer praat vriendelijk en zegt dat hij wel twee mensen weet die hen naar huis kunnen brengen.

Even later zitten de jongen en het meisje in de auto bij twee vreemde, maar vriendelijke mensen.

‘Wijzen jullie de weg naar huis?’ vraagt de mevrouw. Het meisje reageert niet; ze begrijpt niet zo goed wat de mevrouw zegt.

Haar broer begrijpt het wel en knikt.

De meneer rijdt een grote straat in. Een straat met hetzelfde rood en bruine zand. Wat zien jullie? Kijk eens naar links en naar rechts.

Er staan kleine huisjes. Huisjes die vierkant zijn met iets dat glinstert in de zon. Dat zijn zinkplaten. De zon brandt er fel op.

De jongen roept ineens; stop, en hij wijst naar links.

Moeten we daar heen naar jouw huis? vraagt de mevrouw. De jongen knikt.

Langzaam rijden ze door naar plek van zand, kinderen die spelen.

Al slingerend door de straten, tot ze stilstaan bij een hutje met een groene deur met een lach poppetje erop geschilderd.

Het is er stil. De kinderen stappen uit en lopen doelgericht naar het huisje.

De meneer vraagt aan de buren of er iemand thuis is. ‘Nee, er is niemand thuis, hun mama komt in november terug’, zeggen de buren.

De kinderen wonen bij hun oma, en ze wijst in de tegenovergestelde richting.

Iedereen stapt weer in de auto. De jongen houdt het zakje met maispap stevig vast en wijst met één hand de weg naar een ander huis.

Het kleine meisje wijst; ‘hier moeten we zijn’. Een klein huisje en een hek dat kapot is.

‘Ik heb een sleutel’, klinkt een zacht stemmetje op de achterbank. ‘Een sleutel?’ vraagt de mevrouw.

‘Ja, van ons huis’.

Iedereen stapt uit en het kleine meisje maakt de deur open. Een kleine kamer, net zo groot als jouw slaapkamer.

Er liggen twee dikke dekens op de grond. Er staat een kastje waar een pan op staat, wat blikken met eten en verder is het donker.

Om hen heen verzamelen een aantal vrouwen.

‘Wat is er?’ vraagt een oudere mevrouw. Ze draagt een prachtige lange jurk, met rood, geel en oranje.

Het staat haar prachtig!

De meneer ligt het uit; ‘ze stonden in het dorp bij een huis voor eten, en zeiden dat hun papa en mama er niet wonen’.

De mevrouw lacht, ‘zij is mijn kleindochter en wijst naar het meisje. De jongen woont tegenover ons met zijn zus. Ze krijgen elke dag eten en er zijn mensen bij wie ze wonen. Ze hoeven niet in het dorp te zijn.’

Ze kijkt een beetje boos naar de kinderen. ‘Waarom deden jullie dat?’ De kinderen keken wat beteuterd, maar zeggen niets.

De mevrouw bedankt de mensen die de kinderen hebben thuisgebracht en neemt de kinderen mee.

En zo, net voor de zon ondergaat, zijn de kinderen weer veilig thuis en kunnen ze lekker eten vanavond!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *